‘Bidden? Ik dacht dat je modern was!’

(Foto: Documentaire “Advanced Style”, via textilia.nl)

Kan je zowel modern als strenggelovig zijn? Ebrar Kaya, Religiewetenschapper en student Midden-Oostenstudies aan de Universiteit Leiden legt uit aan de hand van Verlichtingsidealen en de Reformatie hoe ideeën over moderniteit en religie ons beeld over praktiserende gelovigen beïnvloeden.

 

Het is onderhand al enkele jaren geleden dat ik met een Amsterdamse antropologe de (toenmalig) recente Amerikaanse presidentsverkiezingen aan het bespreken was. Deze antropologe had een vriendin in de VS die zodanig bang werd van het resultaat van de verkiezingen dat ze haar tassen al klaar had liggen om te vertrekken. Op mijn vraag of de vriendin “zichtbaar” moslima was en of ze een hoofddoek droeg kreeg ik als antwoord: ‘Nee hoor, ze is modern.’ Het was duidelijk, je kon niet praktiserend gelovig en tegelijkertijd modern zijn.

Wat deed de Amsterdamse antropologe zo denken? De implicatie dat “modern” en “hoofddoek” antoniemen waren kwam over. Of was haar vriendin juist modern omdat ze géén hoofddoek droeg? Het leek mij dat er hier een combinatie van ideeën plaatsvond en zich uitten als één opmerking. De antropologe had wellicht verschillende ideeën over modernisme dus pakte ik twee van mijn go-to­ artikelen wat betreft modernisme, een artikel van Jocelyne Cesari, hoogleraar Religie en Politiek aan de University of Birmingham, en een artikel van Will Kymlicka, hoogleraar Filosofie aan de Queen’s University at Kingston, die gaan over de ideeën die uit de Verlichting zijn gekomen.

Verlichting

Cesari beschrijft een proces die ruimte creëerde voor enkele Verlichtingsidealen. Het proces stamt uit de Renaissance waar staten hun politieke onafhankelijkheid van de Kerk begonnen te verklaren en handhaven. Omdat de bevolking van die staten nog in God geloofden hadden de onmisbare kerken een nieuwe sociale status nodig. Dit zorgde voor een mentale scheiding tussen het lagere staatsapparaat en het hogere transcendente geloof. In deze scheiding mocht het “hogere” dan ook niet het “lagere” regulieren en vice versa. Van de gelovige wordt dan ook verwacht dat het geloof geen invloed uitoefent over de politieke of sociale praktijken waar deze aan participeert. Het secularisme valt te ruiken.

Het proces dat Kymlicka beschrijft gaat over het belang van het individuele dat is benadrukt als één van de Verlichtingsidealen. Het idee dat vrijheid om godsdienst te beoefenen, propaganderen, veranderen of achterlaten een fundamenteel mensenrecht is stamt uit dat individuele belang. Dit individualisme beïnvloedde het christendom, wat de meest ‘aanwezige’ religie was, in Europa in grote mate. De autonomie van een persoon was een fundamenteel begrip en daardoor was hetgeen dat een mens autonoom maakt, zijn mogelijkheid om te denken, het belangrijkste gedeelte van die persoon. Hiermee werd het lichaam, oftewel het corporale, ondergeschikt aan de ratio. Mind over matter.

In het stelsel van “mind over matter” in een religieuze context zijn externe uitingen van geloof dan ook ondergeschikt aan interne uitingen van geloof. Op deze manier kun je dus in een God blijven geloven en diens belofte van een hiernamaals. Echter, zodra je dit idee uit op een externe, lichamelijke, corporale manier zoals het dragen van een hoofddoek of het verwijderen van de voorhuid, dan verlies je de noemer “modern”. Voor iemand die denkt in deze termen is het dus uiterst onnodig om met iets anders dan je ratio te geloven. ‘Je gelooft, dat is toch genoeg?’

Europa

Een combinatie van de twee processen leidt ons tot de huidige samenleving die we hebben. Alleen de ratio is geschikt om de maatschappij te veranderen en iemands religie mag deze ratio absoluut niet beïnvloeden. Zodra dat wel gebeurt ben je ouderwets. Het is dus volkomen mogelijk dat de Amsterdamse antropologe een product van haar tijd en samenleving is. Echter is relativering hier enorm van belang.

De Verlichting was geen globaal proces. De ideeën die eruit zijn voortgevloeid worden dan ook absoluut niet universeel geaccepteerd. De Verlichting heeft plaatsgevonden in Europa met als bouwstenen de Europese oorlogen van religie en de Reformatie. Aangezien deze bouwstenen niet overal ter wereld beschikbaar waren is er buiten deze Europese Verlichting ook geen vergelijkbaar proces geweest. In samenlevingen buiten de sphere-of-influence van de Verlichting is het ook geen teken van oubolligheid als je religie zich manifesteert in het corporale.

Wij vs. Zij

Een andere mogelijke reden voor de uitspraak van de antropologe is een superioriteitsideaal. Nou is het niet mijn dagelijkse bezigheid om oudere blanke welgestelde antropologen uit Amsterdam te beschuldigen van een superioriteits-ideaal, alleen lijkt het me handig als we toch de mogelijkheden onder ogen nemen. Om het simpel te houden trek je een streep tussen wij en zij. Iedereen aan de kant van wij is modern en iedereen aan de kant van zij is niet modern. Het concept is simpel, maar wie hoort nou waar?

De Europese maatschappijen schrijven hun huidige idealen vaak toe aan Joods-Christelijke Seculiere fundamenten, wat volgens dr. Ernst van den Hemel de langste manier is om niet-islamitisch te zeggen. Wat er uitkomt is dat moslims niet modern zijn en de rest wel modern is. Alleen ben ik niet van mening dat het proces in deze mate voorkomt.

Zelf ben ik van mening dat de hoofddoek en modern-zijn tegenover elkaar worden gezet door een combinatie van de bovengenoemde processen.  Een mengsel tussen de Verlichtings-zeitgeist over religie en een superioriteitsideaal waarin iedereen zoals jij modern is en de rest daarbuiten valt. Op het moment begrijp ik beter wat de antropologe deed bewegen in haar uitspraak. Echter is er maar één idee dat niet modern is en dat is het idee dat intern geloven superieur is aan extern geloven.